
Een deconstructieve analyse van de theses van Professor Sarbast Nabi, gebaseerd op een interview door Himber Xanê met Prof.Dr. Nabi op 21-02-2026 (duur: 30 minuten). De video is beschikbaar via de volgende link: https://www.youtube.com/watch?v=VghJkyiEy6s
Sarbast Nabi is hoogleraar politieke filosofie aan de Universiteit van Koya in Iraaks-Koerdistan.
I. Geërodeerde Soevereiniteit en de Terugval naar de Natuurtoestand
De diepgaande analyse van de Syrische realiteit vangt aan bij de filosofische karakterisering door Prof.Dr. Nabi, waarin hij stelt dat Syrië momenteel verkeert in een “Hobbesiaanse toestand” in zijn meest extreme vorm. De evocatie van Thomas Hobbes’ Leviathan overstijgt hier de loutere metafoor; het Syrië van 2026 representeert onmiskenbaar de “wolfssamenleving” (Homo Homini Lupus). Het sociaal contract is volledig geërodeerd, waardoor subnationale componenten hun primordiale recht op geweld hebben herwonnen, nadat de staat zijn legitimiteit als neutrale arbiter heeft verloren. Deze regressie naar de “natuurtoestand” impliceert dat de Syrische burger de ‘ander’ niet langer beschouwt als een landgenoot, maar als een existentiële dreiging die geëlimineerd of gewantrouwd moet worden. Deze ontbinding van burgerlijke banden, door Nabi gedefinieerd als het “momentum van onderlinge haat”, heeft het concept van het “Syrische volk” getransformeerd van een sociologische realiteit naar een louter “politiek desideratum” of een utopie zonder empirisch fundament.
Deze synthese vertoont epistemologische raakvlakken met Giorgio Agambens theorie over de “uitzonderingstoestand”, waarbij de geografie verandert in een ruimte waar het recht is opgeschort en het leven gereduceerd wordt tot “naakte leven” (nuda vita), overgeleverd aan het geweld van milities. Syrië lijdt niet aan een voorbijgaande politieke crisis, maar aan een beschavingsregressie die het land in een “pre-civiele” fase houdt. De dominante krachten slagen er niet in een legitiem gezag te vestigen dat het geweldsmonopolie bezit; in plaats daarvan hanteren zij geweld om de maatschappelijke fragmentatie te bestendigen.
II. De Erfzonde: De Mythe van een Gedeelde Nationale Identiteit
In zijn genealogisch onderzoek naar deze impasse deconstrueert Prof.Dr. Nabi het romantische narratief rond de “Syrische nationale eenheid”. Hij betoogt dat Syrië er sinds de onafhankelijkheid in 1946 nooit werkelijk in is geslaagd een collectief bewustzijn van saamhorigheid te genereren. Zelfs de “korte liberale periode” voorafgaand aan het tijdperk van militaire coups bood geen voldragen nationale identiteit, maar vertegenwoordigde slechts een “historische potentie” of een institutioneel fundament uit de Franse periode waarop een sociaal contract gebouwd had kunnen worden. Deze fundamenten werden echter niet geëxploiteerd, en de opeenvolgende staatsgrepen smoorden deze natuurlijke evolutie in de kiem.
Deze analyse voert ons naar de problematiek van de “failed state by design”. De opeenvolgende regimes, in het bijzonder het Ba’ath-bewind, hebben elke poging tot de vorming van gelijkwaardig burgerschap gesmoord en vervangen door een ideologisch “geforceerde identiteit”. Volgens Nabi werd de staat gereduceerd tot de macht, en de macht tot de leider, waardoor loyaliteit aan Syrië gebaseerd werd op “onderwerping” in plaats van op “recht”. Toen de centrale machtsstructuur barsten vertoonde, vonden de Syriërs geen nationale identiteit om op terug te vallen, waardoor zij zich terugtrokken in primaire identiteiten (secte, etniciteit, confessie). Dit bewijst dat de Syrische identiteit een “functionele identiteit” was, inherent verbonden aan het bestaan van het regime, en geen authentieke maatschappelijke identiteit.
III. Fenomenologie van de Macht: Van “Attractief Despotisme” naar “Abjecte Exclusie”
Professor Nabi biedt een briljante vergelijking binnen de machtsfilosofie tussen twee modellen van Syrisch despotisme. Hij typeert het voormalige Assad-regime als een pragmatische “attractieve macht”; het eiste absolute loyaliteit in ruil voor de integratie van diverse componenten in het functionele staatsapparaat. Functionarissen konden van elke confessie of etniciteit zijn, mits hun ideologie werd geplooid naar de “centraliteit van de heerser”. Het huidige gezag in Damascus (2026) analyseert Nabi echter als een structureel “repulsieve of uitsluitende macht”.
Dit nieuwe gezag, gekenmerkt door “jihadistisch bestuur”, hanteert de confessionele logica van “loyaliteit en distantie” (Al-Wala’ wa-l-Bara’). Hier is politieke loyaliteit niet langer voldoende om tot het “volk van de macht” te behoren; de ander wordt uitgesloten op basis van confessionele of etnische identiteit. Deze transformatie van een “staat van politieke loyaliteit” naar een “macht van confessionele zuiverheid” heeft de laatste mogelijkheden voor het ontstaan van een “Syrisch volk” vernietigd. Staatsinstellingen zijn getransformeerd tot instrumenten voor sektarische wraak onder toezicht van de “sharia-geleerde” of de “sjeik”, waardoor het concept van de staat is ontdaan van zijn moderne juridische en administratieve inhoud. Dit perspectief sluit aan bij Max Webers visie op “patrimoniale macht”, maar in de huidige Syrische casus heeft dit een uitsluitend theocratisch karakter aangenomen dat pluralisme in de kern verwerpt.
IV. Functionele Geopolitiek: “Legitimiteit door Onderwerping” en de Soennitische Actor
Een van de meest pregnante aspecten van Nabi’s analyse is zijn poging om het “geopolitieke raadsel” te ontcijferen: de acceptatie door de internationale gemeenschap van de legitimering van een radicaal gezag (zoals Jolani). Nabi stelt dat het overleven van dit gezag geen historisch toeval is, maar het resultaat van een “functionele behoefte” van internationale en regionale mogendheden. De huidige fase vereist een “Arabisch-soennitische jihadistische” actor die beschikt over wat Nabi “historische legitimiteit” noemt, om grote strategische dossiers door te voeren, waaronder normalisatie- en vredesakkoorden in de regio.
Andere krachten (minderheden of seculiere bewegingen) ontberen het volkse of religieuze draagvlak om dergelijke grootschalige akkoorden te sluiten zonder van hoogverraad beschuldigd te worden. De “soennitische jihadist” heeft echter de capaciteit om een “sacrale” legitimiteit aan deze transformaties te verlenen in ruil voor machtsbehoud. Hiermee verklaart Nabi het stilzwijgen van het regime tegenover verklaringen van grootmachten (zoals Donald Trump) over het “aanstellen” van leiders in Damascus; het is een macht die beseft dat haar voortbestaan afhankelijk is van haar “onderwerping” aan de regionale agenda, wat nationale soevereiniteit reduceert tot een louter decor voor dubieuze geopolitieke partnerschappen.
V. Generationele Breuk en de Afwezigheid van Overgangsjustitie
Professor Nabi waarschuwt voor een sociologische catastrofe in de vorm van de “verloren generatie” in vluchtelingenkampen. Miljoenen jongeren die tussen 2011 en 2026 buiten de staatsstructuren zijn opgegroeid, hebben een “niet-Syrische” identiteit ontwikkeld, gevoed door onderdrukking, armoede en extremistisch gedachtegoed. Nabi beschouwt deze jongeren als “demografische tijdbommen” die wroeging voelen over hun identiteit, wat toekomstige herintegratie nagenoeg onmogelijk maakt zonder radicale rehabilitatie.
Deze maatschappelijke verscheurdheid wordt verdiept door het moedwillig negeren van “overgangsjustitie” (transitional justice). Aangezien het huidige gezag structureel betrokken is bij mensenrechtenschendingen, is verantwoording opgeofferd ten gunste van een “top-down verzoening” tussen oude en nieuwe elites. Dit laat de bevolking achter in een toestand van permanente sektarische rancune. Het ontbreken van een grondwet die de rechtsgang nauwkeurig definieert, heeft van elke militaire actie een “identiteitsgebonden vergelding” gemaakt, wat elk herstel van het Syrische nationale weefsel blokkeert.
VI. De Mythe van het “Ontwikkelingsmodel” en de Realiteit van de Ineenstorting
Nabi besluit zijn betoog met het weerleggen van de propaganda die Syrië tracht voor te stellen als het “Singapore van het Oosten”. Hij stelt dat deze vergelijking lachwekkend is, aangezien een economische renaissance een open geest en integer bestuur vereist—zaken die diametraal staan op de “analfabetische takfiri-mentaliteit” die de machtsmiddelen beheert. De economische deconfiture, waarbij het inkomen van een universiteitshoogleraar tot een mensonterend niveau is gedaald, is geen tijdelijke crisis, maar het bewijs van het onvermogen van “factionele macht” om zelfs de minimale fundamenten van een staat te beheren.
Conclusie: De Onvermijdelijkheid van een “Wonder”
Professor Sarbast Nabi concludeert dat Syrië momenteel verkeert in een staat van “klinische dood” wat betreft nationale saamhorigheid. Het doorbreken van deze structurele impasse vereist een “echt wonder”; een wonder dat de “Syrische mens” vanaf de grond heropbouwt en een collectief bewustzijn sticht dat in de moderne geschiedenis nooit werkelijk heeft bestaan. Deze analyse dient als een intellectueel alarmsignaal: het negeren van de “epistemologische en filosofische impasse” en het genoegen nemen met oppervlakkige politieke oplossingen zal de “wolfssamenleving” slechts bestendigen en de resterende menselijke waardigheid in Syrië verder uitputten.
Primaire bron: Interview met Professor Sarbast Nabi, 21-02-2026.
Aanbevolen literatuur voor verdieping:
- Thomas Hobbes, Leviathan (voor de structuur van de wolfssamenleving).
- Max Weber, Wirtschaft und Gesellschaft (voor de analyse van despotische machtstypen).
- Ernest Gellner, Nations and Nationalism (voor het falen van nationale identiteitsvorming in ontwikkelingslanden).

